Dyslexie in het VO

En nu?

Dyslexie in het VO

Het komt vaker voor dat pas in het voortgezet onderwijs naar voren komt dat een leerling dyslexie heeft. Deze leerlingen hebben op de basisschool hun dyslexie weten te compenseren door bijvoorbeeld een hoge(re) intelligentie of simpelweg door heel hard te werken. Maar na een tijdje in het voortgezet onderwijs vallen ze alsnog door de mand.

Deze leerlingen hebben doorgaans veel moeite met het leren van de vreemde talen. Ondanks de tijd en energie die ze steken in huiswerk en het leren voor toetsen en overhoringen zijn de resultaten vaak onvoldoende. Ze kunnen bijvoorbeeld moeite hebben met het verstaan van de snelle spraak en het lezen, uitspreken en schrijven van de woorden. Bij de moderne vreemde talen is vooral de spelling van het Engels een struikelblok. De klanktekenkoppeling van deze taal is zo onregelmatig (de klinkers in tree en tea klinken hetzelfde maar worden anders geschreven, terwijl de klinkers in tea en bread eenzelfde schrijfwijze maar een andere klank hebben en bread en red weer hetzelfde worden uitgesproken) dat leerlingen met dyslexie deze maar moeilijk onder de knie kunnen krijgen. Daarnaast kunnen deze leerlingen moeite hebben met de hoeveelheid teksten die ze moeten verwerken en/of veel moeite hebben met het onthouden van (automatiseren) formules, jaartallen, topografie en symbolen. Het gevolg kan zijn dat de leerling steeds minder gemotiveerd raakt om naar te gaan school, huiswert te maken of zichzelf ‘dom’ voelt.

Dyslexiescreening

Veel middelbare scholen voeren aan het begin van het eerste brugjaar een dyslexiescreening uit. Wanneer een leerling hierop uitvalt kan op sommige scholen intern extra begeleiding geboden worden, op andere scholen wordt hiervoor verwezen naar een externe praktijk.

Vaststellen van dyslexie

Het vaststellen van dyslexie bij leerlingen op het voortgezet onderwijs, verloopt in grote lijnen hetzelfde als bij leerlingen in het basisonderwijs. Ook hierbij wordt getoetst op achterstand, ernst en didactische resistentie. Het criterium van didactische resistentie (hardnekkigheid van de problematiek) houdt in dat extra (individuele) begeleiding op het gebied van technisch lezen en/of spelling niet of nauwelijks tot vooruitgang heeft geleid en er dus ondanks de extra begeleiding een significante achterstand blijft bestaan ten opzichte van leeftijdsgenoten en/of opleidingsgenoten.

Bij leerlingen in het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs kan deze didactische resistentie worden aangetoond door middel van extra begeleiding op zorgniveau 2 en 3, gedurende minimaal een half jaar. Wanneer deze extra begeleiding nauwelijks leidt tot enige verbetering, dan is hiermee de didactische resitentie aangetoond.

Spellingproblemen

Voor leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs ligt dit wat anders. Zij hebben al een dermate lange leesgeschiedenis dat aangenomen mag worden dat zij voldoende hebben geoefend om ten minste tot een gemiddeld leesniveau te komen. Wanneer dit niet het geval is, kan op basis van de ‘leescarrière’ gesproken worden van didactische resistentie en is het niet nodig om daar nog een half jaar extra begeleiding aan vooraf te laten gaan.

Het is echter raadzaam om dit per individuele leerling goed af te wegen. Wanneer de orthopedagoog of psycholoog twijfelt over de diagnose en denkt dat er een gerede kans bestaat dat extra begeleiding wel degelijk zinvol is en tot vooruitgang zal leiden, dan is wel een periode van intensieve begeleiding (meerdere malen per week inclusief thuis oefenen) geïndiceerd voordat de diagnose dyslexie gesteld mag worden. Hierbij volstaat dan een periode van 15-20 weken. In de praktijk komt dit vooral voor wanneer er wel sprake is van spellingproblemen, maar niet of nauwelijks van leesproblemen.

Tips voor docenten

In de lessen kan gebruik gemaakt worden van de volgende principes (uit Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs):

  • Bij aanvang van de les het doel van de les op het bord schrijven en toelichten.
  • Nieuwe begrippen die in teksten voorkomen, van te voren behandelen.
  • Hoofdlijnen van een tekst in schema op het bord schrijven.
  • Opdrachten in groepsverband laten maken zodat zwakke lezers, maar ook de zwakkere leerlingen, kunnen profiteren van de goede leerlingen.
  • Opdrachten niet klassikaal bespreken maar leerlingen zelf laten nakijken.
  • Aanpakgedrag van opdrachten bespreken.
  • Extra instructie – en oefentijd inbouwen voor leerlingen die dat nodig hebben. Bijvoorbeeld voor het leren van nieuwe klank-tekenkoppelingen in de moderne vreemde talen, het lezen van onbekende woorden, het leren van de betekenis van woorden.

Advies voor vreemde talen

Met betrekking tot het leren van de vreemde talen kan het helpen wanneer:

  • Meerdere kanalen worden ingezet (lezen, schrijven, horen, uitspreken).
  • De klanktekenkoppeling in de desbetreffende taal wordt vastgelegd met behulp van kapstokwoorden zodat deze geautomatiseerd wordt.
  • Het analogiebewustzijn vergroot wordt door extra aandacht te besteden aan bekende woorddelen (zoals vaste achtervoegsels als –able/–ly) en steeds terugkerende lettercombinaties zoals –igh, bijvoorbeeld door deze te markeren. 
  • Bij het leren van idioom en grammatica gebruik gemaakt wordy van hulpmiddelen, zoals overhoorprogramma’s/apps (wrts, teach2000, quizlet etc.) en grammaticakaarten. Bij veel lesmethodes wordt software geleverd met extra oefening of codes voor e-learning.

Algemeen 'leeradvies'

Daarnaast is het voor het leren in het algemeen aan te raden dat:

  • Leerlingen actief met de stof aan de slag gaan.
  • De computer wordt ingezet voor extra oefening.
  • Leerlingen samenvattingen maken, bijvoorbeeld met behulp van mindmaps. Met behulp van een mindmap kunnen leerlingen de structuur van de stof beter doorzien, wat het makkelijker maakt om de stof te onthouden.
  • Grote stukken leerstof worden opgedeeld in kleinere stukken.
  • Er genoeg herhalingsmomenten worden ingepland.