Dyslexie op de basisschool

Wat kunt u als ouder(s) doen!

Wat kun je als ouder(s) doen!

Zodra uw kind naar de basisschool gaat wordt er gericht gewerkt aan de taalontwikkeling. Zo leert uw kind om zijn gedachten, gevoelens en gebeurtenissen in woorden uit te drukken. Later komt daar het (begrijpend) lezen en schrijven bij.

Naast de inzet van school kunt u als ouder gedurende de basisschoolperiode thuis ook veel doen om de spraak- en taalontwikkeling van uw kind verder te stimuleren.

Van 4 - 6 jaar

In deze periode leert uw kind dagelijks veel nieuwe woorden bij. Als 4-jarige maakt uw kind eenvoudige zinnen en verspreekt het zich wel eens als het veel wil vertellen. Vanaf 5 jaar worden de zinnen steeds langer en wordt gebruik gemaakt van bijzinnen waarin woorden als ‘want’ en ‘maar’ worden gebruikt. Daarnaast kan uw kind vanaf nu praten over dingen die eerder zijn gebeurd of nog gaan gebeuren (verleden en toekomst) en over zijn gedachten. Ook ontstaat er meer aandacht voor het schrijven en het doel ervan (bijvoorbeeld een kaartje schrijven).

Uw rol in deze periode

In deze periode kunt u als ouder de taalontwikkeling stimuleren door veel met uw kind te praten, klank- en rijmspelletjes te doen of samen liedjes te zingen. Ook voorlezen is voor de taalontwikkeling van groot belang. Zoek samen boekjes uit om voor te lezen en stel tijdens het lezen ook vragen om de taalontwikkeling verder te stimuleren. Geef uw kind ook de mogelijkheid om te schrijven als het dat wil.

Van 6 - 12 jaar

Tussen de 6 en 9 jaar leert uw kind lezen en schrijven. Deze vaardigheden zijn een kerntaak van het basisonderwijs en van wezenlijk belang voor de verdere schoolloopbaan en het maatschappelijk functioneren. Het vermogen om te kunnen lezen en schrijven noemen we ‘geletterdheid’. Om je te kunnen redden in de maatschappij moet echter een bepaald niveau van geletterdheid worden bereikt, dit noemen we ook wel ‘functionele geletterdheid’. Het (basis)onderwijs heeft onder meer als doel dat leerlingen een bepaald niveau van functionele geletterdheid bereiken zodat ze in staat zijn om in alle maatschappelijke situaties met geschreven taal om kunnen gaan. Aarnoutse & Verhoeven (2003) onderscheiden in functionele (= gevorderde) geletterdheid de volgende componenten:

  • Betrokkenheid: lees- en schrijfmotivatie
  • (De)codeervaardigheid: technisch lezen en spellen
  • Tekstvaardigheid: begrijpend lezen en schrijven
  • Strategische vaardigheid: informatieverwerving en kennisverwerving
  • Leeswoordenschat
  • Reflectie: functies en structuur van geschreven taal

In de groepen 1 tot en met 3wordt de basis gelegd voor het lees- en schrijfonderwijs, waarna leerlingen in groep 4 en verder de gevorderde geletterdheid ontwikkelen. Hun technische leesvaardigheid en het begrijpend lezen ontwikkelt zich steeds verder. Ook leren kinderen verschillende leesstrategieën en schrijfstrategieën gebruiken. Langzamerhand worden de regels van de grammatica steeds beter geleerd (dit zegt trouwens nog niets over een goede toepassing ervan). Ook de woordenschat, de zinsopbouw en spellingvaardigheid ontwikkelen zich verder. Hierdoor kan uw kind steeds beter vertellen of opschrijven wat het bedoelt.

In het basisonderwijs wordt voor het bepalen van functionele geletterdheid vaak het technisch leesniveau (decodeervaardigheid) als richtlijn gebruikt. Eerder werd beheersing van het oude AVI-9 niveau als richtlijn voor functionele geletterdheid aangehouden, dit staat ongeveer gelijk aan het niveau AVI E6/M7 niveau. Bijgaande conversietabel kan worden gebruikt bij het omzetten van de nieuwe AVI in de oude en andersom.

Uw rol in deze periode

In deze periode kunt u als ouder de taalontwikkeling stimuleren door samen veel te lezen en ervaringen op te doen in allerlei situaties waarin een woord wordt gebruikt. Zo leert uw kind steeds meer over taal:

  • Het vergroot de woordenschat.
  • Er worden nieuwe woorden en betekenissen geleerd (bank = om op te zitten en een gebouw om geld te halen, een bank en een zetel betekenen ongeveer hetzelfde).
  • Er ontstaat een diepere woordkennis waarbij ook de eigenschappen en categorieën van een woord worden geleerd (een sinaasappel is rond en heeft een oranje schil, hoort bij de categorieën fruit, voeding, enzovoorts en woorden als sinaasappelsap hebben te maken met een sinaasappel).
  • Er worden steeds langere en beter geformuleerde zinnen gevormd.

Naarmate uw kind ouder wordt, kan het ook stukjes aan u voorlezen (bijvoorbeeld om en om een zin, alinea of bladzijde). Hardop lezen bevordert de directe woordherkenning en zorgt er bovendien voor dat uw kind leesfouten (eerder) ontdekt. Bij het samen lezen is het belangrijk dat:

  • Uw kind bepaalt wat het wil lezen. Het niveau van de tekst of wat voor soort tekst het is, maakt niet uit. Het is vooral belangrijk dat teksten en boeken aansluiten bij de interesses van uw kind. Lezen moet motiveren en niet ‘lezen om te lezen’
  • Op vaste momenten gelezen wordt. Maak lezen gezellig, zodat uw kind zich op het gemak voelt.
  • Het beter is om iedere dag 10 minuten samen te lezen, dan twee keer per week een half uur.
  • Het leesplezier voorop staat, laat het presteren los. Geef complimenten wanneer het lezen goed gaat en leg niet de nadruk op fouten. Als er continu wordt verbeterd, komt de leesmotivatie in het geding en dat werkt averechts. Geef uw kind bovendien de tijd om zijn fout zelf te ontdekken.
  • U met uw kind in gesprek gaat over het boek door te vragen naar persoonlijke ervaringen op basis van verhalen in het boek. Probeer kennisvragen te vermijden.
  • Leesvormen afgewisseld worden. Het toepassen van verschillende leesvormen komt de leesmotivatie ten goede. U kunt ook speciale boekengebruiken die het samen lezen leuker maken.

Speciale boeken: boeken over kinderen met dyslexie

  • Ik ben niet bom van Marion van de Coolwijk

Zorg er in elk geval voor dat er thuis voldoende leesmateriaal voorhanden is om het lezen te stimuleren.