De opbouw van een dyslexie test

Wat wordt er allemaal onderzocht bij een dyslexie test?

Opbouw van een dyslexie test

Een dyslexie test voor de kinderen- en jeugdigen neemt meestal een dagdeel in beslag en in enkele gevallen twee dagdelen. Gedurende het onderzoek worden verschillende testen afgenomen. Buiten het contact met het kind of de jeugdige, is de voorinformatie over bijvoorbeeld de (school)ontwikkeling erg belangrijk. Contact met ouders en school is daarom van belang voor de test.

ECLG kan het diagnostisch onderzoek naar dyslexie op de school van uw kind afnemen, of in een van onze 17 praktijken en omvat:

  • Een kort intake/kennismakingsgesprek met de ouders en leerling.
  • WISC-V intelligentie c.q. capaciteitenonderzoek
  • Didactisch leesonderzoek en aanvullend onderzoek naar verklarende oorzaken:
    - Test criterium variabelen (achterstand en hardnekkigheid)
       > niveaubepaling lezen en spellen en/of orthografische kennis van woorden/pseudowoorden
       > DMT, EMT/Klepel, Pi-dictee
    - Test dyslexie typerende cognitieve vaardigheden (dyslexie-indicatoren)
       > koppeling van visuele/auditieve klank/letter/woordvormen
       > fonologische taalvaardigheden
       > snel serieel benoemen
       > verbale werkgeheugenvaardigheden
    - Test differentiaal diagnostische (en controle) vaardigheden
       > semantische taalvaardigheden
       > niet-verbale werkgeheugenvaardigheden
    - Test co-morbide verschijnselen
       > uitsluiten van co-morbide problematiek of verwijzen bij signalen van co-morbiditeit
    - Test competentiebeleving
  • Aanvullend onderzoek naar verklarende factoren
  • Een adviesgesprek waarin de uitkomsten van het onderzoek worden besproken.

Na het adviesgesprek ontvangt u het onderzoeksverslag met - indien van toepassing - een dyslexieverklaring. School krijgt hier niet automatisch een afschrift van, het is aan de ouders om te bepalen welke informatie zij met derden willen delen.

* Belangrijk: Wij starten het dyslexieonderzoek altijd met een IQ-bepaling. Volgens het dyslexieprotocol is dat echter niet verplicht en kan er volstaan worden met de afname van een aantal onderdelen van bijvoorbeeld de WISC-V test. Een aantal praktijken en instellingen doen dit dus ook. Wij zijn daar echter geen voorstander van omdat de afname van slechts een aantal subtesten niet tot een IQ-bepaling leidt en dus geen volledig beeld geeft van de capaciteiten van uw zoon of dochter. Daarnaast moet er tussen twee intelligentiebepalingen altijd 1.5 tot 2 jaar speling zitten. Ook wanneer er maar enkele subtesten van de WISC-V worden afgenomen, zult u minimaal 1.5 jaar moeten wachten voor er weer een volledige IQ-bepaling (met dezelfde test) kan worden gedaan. Vraag dus altijd goed na of en welke IQ test afgenomen wordt en of de afname ook tot een IQ-bepaling leidt.

Wat wordt er allemaal getest?

1. Test criterium variabelen (achterstand + hardnekkigheid)

Allereerst wordt het lees- en spellingniveau bepaald. Dit wordt gedaan middels woordleestoetsen en woorddictees. Indien de score van een leerling bij de laagste 10% scorende leerlingen op het gebied van technisch lezen en/of spelling behoort, zijn er aanzienlijke lees- en/of spellingproblemen aangetoond. Voor het vaststellen van ernstige enkelvoudige dyslexie (EED), moet sprake zijn van een score bij de laagste 10% op technisch lezen of bij de laagste 16% op lezen én laagste 10% op spellen.

Vervolgens is de hardnekkigheid van de lees- en/of spellingproblemen een belangrijke aanwijzing voor dyslexie. De hardnekkigheid is aan te tonen als de gesignaleerde problemen zijn aangepakt middels het onderwijsprotocol ‘leesproblemen en dyslexie’. Leidt deze aanpak niet tot voldoende vooruitgang, dan wordt gesproken van een hardnekkig lees- en/of spellingprobleem. Ook wordt de term ‘didactische resistentie’ hierbij gebruikt. De leerling is immers resistent voor de didactische aanpak. Er wordt gesproken van didactische resistentie als aan een leerling systematisch gedurende een half jaar lang, minstens drie keer per week 20 minuten extra instructie is gegeven door een leerkracht of remedial teacher en deze extra begeleiding niet het gewenste effect heeft. Over het algemeen kan worden gesproken van didactische resistentie als het leerrendement van de extra begeleiding < 67% ligt. Het is daarom belangrijk dat school een leerlingdossier bijhoudt met daarin de gekozen aanpak, de doelen en de evaluaties.

Mocht school om welke reden dan ook niet de juiste zorg kunnen bieden, dan kan ook externe begeleiding worden ingeschakeld om de didactische resistentie aan te tonen. De eisen die aan externe begeleiding worden gesteld zijn gelijk aan de eisen die aan de extra zorg op school worden gesteld

2. Dyslexie typerende cognitieve vaardigheden (dyslexie-indicatoren)

Als de hardnekkigheid is onderzocht, worden daaropvolgend testen afgenomen die vaardigheden meten waar leerlingen met dyslexie op uitvallen. Dit worden dyslexie-indicatoren genoemd. Er wordt bijvoorbeeld bekeken in hoeverre de klanktekenkoppeling is geautomatiseerd. Denk hierbij aan testen waarbij een leerling snel letters moet schrijven en lezen. De Dyslexie Screening Test (DST) wordt gebruikt om te kijken hoe het vermogen om klanken te herkennen, te onderscheiden en te manipuleren is ontwikkeld (ook wel fonologische taalvaardigheden genoemd).

Tot slot wordt er gekeken hoe snel het kind informatie uit het geheugen op kan halen (snel serieel benoemen) en wordt getest hoe het verbale werkgeheugen zich heeft ontwikkeld.

3. Test differentiaal diagnostische (en controle) vaardigheden

Naast testen die de lees- en spellingvaardigheid en de dyslexie-indicatoren meten, wordt bij de leerling ook de algemene intelligentie bepaald middels een intelligentietest. Daarnaast wordt bekeken of er dyslexie aanverwante problemen zijn, bijvoorbeeld auditieve of visuele waarnemingsproblemen, rekenproblemen en/of aandacht- en concentratieproblemen. Ook wordt bekeken of er mogelijk andere individuele problemen zijn die de problemen kunnen verklaren of versterken. Hieronder vallen de semantische taalvaardigheden, geheugenfuncties en de non-verbale werkgeheugenvaardigheden.

4. Test co-morbide verschijnselen (indien manifest en relevant)

Bij het onderzoek naar ernstige enkelvoudige dyslexie wordt de aanwezigheid van (signalen van) co-morbide problematiek onderzocht. Dit wordt onder andere gedaan door het laten invullen van een gedragsvragenlijst door ouders en school.

Als er sprake is van bijkomende problematiek, zoals bijvoorbeeld autisme of ADHD, dan wordt gesproken van comorbiditeit. Er kan dan niet meer worden gesproken van enkelvoudige dyslexie, aangezien er sprake is van meervoudige problematiek. Dit wil echter niet zeggen dat er geen dyslexie kan worden vastgesteld.

Als er sprake is van comorbiditeit komt een leerling in principe niet in aanmerking voor vergoede zorgt voor ernstige enkelvoudige dyslexie. In sommige gevallen kan hiervan worden afgeweken. In de Richtlijn Comorbiditeit die per oktober 2012 als bijlage is opgenomen bij het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling, staat dat een kind dat een bijkomende stoornis heeft in aanmerking kan komen voor vergoeding als de andere stoornis niet (meer) belemmerend is voor de dyslexie test en/of de dyslexiebehandeling. Als de comorbide stoornis wel belemmerend is, dan komt het kind in eerste instantie niet in aanmerking voor een vergoede test en wordt geadviseerd eerst de comorbide stoornis te laten behandelen. De diagnosticus beoordeelt of de bijkomende stoornis belemmerend is voor het onderzoek naar dyslexie én de behandeling van dyslexie. Alle zorgaanbieders die zijn aangesloten bij het NKD (Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie) werken volgens deze richtlijn.

5. Test competentiebeleving

Bij leerlingen vanaf 8 jaar wordt de CBSK test (Competentie Belevingsschaal voor Kinderen) afgenomen om te achterhalen hoe de leerling zijn/haar competenties beoordeelt.

De uitkomst van de dyslexie test

Als de onderzoeker, een orthopedagoog of psycholoog, alle informatie verzameld heeft, worden de onderzoeksgegevens van de test geanalyseerd. Daarop volgt een conclusie en daarmee antwoord op de vraag: “Is er sprake van dyslexie bij uw kind?”.

De conclusie kan verschillende richtingen uitgaan:

  1. Er is sprake van lees- en/of spellingproblemen die met extra ondersteuning (in de school) voldoende kunnen worden aangepakt.
  2. Er is sprake van dyslexie, echter niet dusdanig ernstig dat een gespecialiseerde (vergoede) behandeling geïndiceerd is.
  3. Er is sprake van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie waarvoor gespecialiseerde (vergoede) behandeling geïndiceerd is. Er is dan sprake van een positieve behandelindicatie.
  4. Er kan ook sprake zijn van complexe problematiek waarvan dyslexie onderdeel uitmaakt.

De dyslexieverklaring

Als uit de dyslexie test blijkt dat er sprake is van dyslexie, dan wordt een dyslexieverklaring afgegeven door de onderzoeker en de hoofdbehandelaar. U kunt hier meer lezen over de dyslexieverklaring en de mogelijke gevolgen van dyslexie.